vormen (morfologie)


monografieën

J. Goossens, Die Servatiusbruchstücke, 1992
C.B. van Haeringen, 'Congruerende voegwoorden', 1939
C.B. van Haeringen, 'De meervoudsvorming in het Nederlands', 1947
C.B. van Haeringen, 'Vervoegde voegwoorden in het Oosten', 1958
Cor Hoppenbrouwers, 'Het genus in een Brabants regiolect', 1983
Jos Jansen, Het Lommels als grensdialect, 1991
Etsko Kruisinga, 'De vorm van de verkleinwoorden', 1915
L.C. Michels, 'Woordwording van affixen', 1957
K. Roelandts, Vertrouwelijke naamgeving, 1979
Gerlach Royen, Ongaaf Nederlands, 1941
Norval S.H. Smith, '-Aar', 1976
J.M. van der Horst, J.A. van Leuvensteijn, W. Pijnenburg en M.C. van den Toorn, Geschiedenis van de Nederlandse taal, 1997
E.M. Uhlenbeck, Taalwetenschap, 1959
J. Verdam, 'Over het voorvoegsel ont', 1901
P. Weiland, Nederduitsche spraakkunst, 1805

artikelen


Vormen (morfologie)

Th.H. d' Angremond, ‘Naschrift bij N.T. 30, 417/8.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
Constantinus Bake, ‘Kleine mededeelingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 38 (1919)
Constantinus Bake en Wobbe de Vries, ‘[Kleine mededeelingen]’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 48 (1929)
Peter Bakema, ‘Peter BakemaHet onvoltooid verleden verkleinwoord’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 113 (1997)
Adriaan Beets, ‘Kleine mededeelingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 35 (1916)
B. van den Berg, ‘Bijdrage tot de geschiedenis der spelling in Holland’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 65 (1948)
H.L. Bezoen, ‘[Nummer 9]’, ‘Het taalkundig geslacht te Enschede’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 5 (1936-1937)
H.L. Bezoen, ‘Varia Tubantica’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 65 (1948)
Willem Bisschop, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
Willem Bisschop, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
G.J. Boekenoogen en M. Schönfeld, ‘Walewijn en Walewein.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 36 (1917)
G.J. Boekenoogen, ‘Kleine mededeelingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 43 (1924)
G.J. Boekenoogen, ‘Kleine mededeelingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 44 (1925)
R.C. Boer, ‘Studiën over Oudnoorsche spraakleer.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 39 (1920)
Adrianus Bogaers, ‘De uitgang ig afgekapt’ In: De Taalgids. Jaargang 6 (1864)
Adrianus Bogaers, ‘Kindsheid of kindschheid?’ In: De Taalgids. Jaargang 7 (1865)
Adrianus Bogaers, ‘KINDSHEID OF KINDSCHHEID?’ In: De Taalgids. Jaargang 7 (1865)
Adrianus Bogaers, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
Adrianus Bogaers, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
Adrianus Bogaers, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
Adrianus Bogaers, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
Adrianus Bogaers, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
Adrianus Bogaers, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
A.P. de Bont, ‘Over beduit(je) en wat dies meer zij’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 66 (1949)
Andries Borgeld, ‘Kleine mededeelingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 43 (1924)
J.H. van den Bosch, ‘Samenstellingen.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 1 (1891)
J.H. van den Bosch, ‘Sprokkel.Nêmhart = Jan Grijp.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 2 (1892)
J.H. van den Bosch en R.A. Kollewijn, ‘Spkokkels.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 3 (1893)
J.H. van den Bosch, ‘Over samenstelling.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 3 (1893)
A.C. Bouman, ‘Het probleem van de ‘inwendige taalvorm’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 22 (1928)
A.C. Bouman, ‘Over reduplicatie en de woordsoorten.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
A.C. Bouman, ‘Het Nederlandse voorvoegsel ka-’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 68 (1951)
Dirk Boutkan en Maarten Kossmann, ‘Dirk Boutkan en Maarten KossmannOver sjwa-apocope in het Nederlands’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 114 (1998)
Cor van Bree, ‘Cor van BreeDe morfologie van het Stadsfries (II)’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 117 (2001)
Cor van Bree, ‘Cor van BreeDe morfologie van het Stadsfries (I)’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 117 (2001)
Willem Gerard Brill, ‘Over faktitieve werkwoorden en uitdrukkingen.’ In: De Taalgids. Jaargang 6 (1864)
Willem Gerard Brill, ‘De ware aard van het bijvoegelijk naamwoord behept (behebt).’ In: De Taalgids. Jaargang 6 (1864)
Willem Gerard Brill, ‘De uitgang ig afgekapt.’ In: De Taalgids. Jaargang 6 (1864)
J.H. Brouwer, ‘Overgang fs>chs?’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 32 (1938)
Foeke Buitenrust Hettema, ‘Uit de spraakleer.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 2 (1892)
Foeke Buitenrust Hettema, ‘Uit de spraakleer.B. Over naamvallen.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 5 (1895)
Foeke Buitenrust Hettema, ‘Uit de spraakleer.B. Over naamvallen.(Vervolg van blz. 71.)’ In: Taal en Letteren. Jaargang 5 (1895)
Foeke Buitenrust Hettema, ‘Kleinigheden uit de spraakleer.I. Pronominaal-vormen.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 9 (1899)
Foeke Buitenrust Hettema, ‘Kleinigheden uit de spraakleer.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 9 (1899)
Foeke Buitenrust Hettema, ‘'t Woord ‘fiets’.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 11 (1901)
C.J. Conradie, ‘Nederlandse partikels en Afrikaanse beleefdheid Jac Conradie (Johannesburg)’ In: Colloquium Neerlandicum 12 (1994) (1995)
P.J. Cosijn, ‘Over den meervoudsuitgang -iën,door P.J. Cosijn.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 1 (1870)
P.J. Cosijn, ‘De Oudnederlandsche psalmendoor P.J. Cosijn.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
P.J. Cosijn, ‘De Oudnederlandsche psalmendoor P.J. Cosijn.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
P.J. Cosijn, ‘De Oudnederlandsche psalmendoor P.J. Cosijn.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
P.J. Cosijn, ‘Plukseldoor P.J. Cosijn.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
P.J. Cosijn, ‘De Oudnederlandsche psalmen,door P.J. Cosijn.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 4 (1873)
P.J. Cosijn, ‘Iets over de verbuiging van het Dietsche adjectief.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 6 (1875)
P.J. Cosijn, ‘De instrumentalis singularis op mi.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 2 (1882)
N.A. Cramer, ‘Een oud woord in het Westvlaamsch teruggevonden.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 10 (1900)
J.A. van Dijk, ‘Te allen tijde.’ In: De Taalgids. Jaargang 2 (1860)
J.A. van Dijk, ‘Onder anderen of onder andere?’ In: De Taalgids. Jaargang 2 (1860)
J.A. van Dijk, ‘Het achtervoegsel aard .’ In: De Taalgids. Jaargang 2 (1860)
J.A. van Dijk, ‘Iets over den tweeden persoon van het enkelvoud.’ In: De Taalgids. Jaargang 4 (1862)
J.A. van Dijk, ‘Bericht aan den lezer.’ In: De Taalgids. Jaargang 4 (1862)
J.A. van Dijk, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
J.A. van Dijk, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
Willem Draaijer, ‘Katteklei.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
A.M. Duinhoven, ‘A.M. DuinhovenSamentrekking zonder deletie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 116 (2000)
F. den Eerzamen, ‘Over de voornaamwoorden in het Goerees’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
F. den Eerzamen, ‘Over de voornaamwoorden in het Goerees’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
J.H. Eichman, ‘Over den uitgang ing.’ In: De Taalgids. Jaargang 6 (1864)
Frank van Eynde, ‘Automatische vertaling Frank van Eynde (Leuven)’ In: Colloquium Neerlandicum 11 (1991) (1992)
William H. Fletcher, ‘Didaktische richtlijnen voor het gebruik van de achterzetsels prof.dr. W.H. Fletcher’ In: Colloquium Neerlandicum 9 (1985) (1986)
Johannes Franck, ‘Zur Mnl. conjugation.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 2 (1882)
J.L.M. Franken, ‘Taalkundige beskouing oor Teenstra se Afrikaanse samespraak.’ In: De vruchten mijner werkzaamheden (ed. F.C.L. Bosman) (1943)
J.J.A.A. Frantzen, ‘Wese, Gotisch wisi.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 36 (1917)
Johan Hendrik Gallée, ‘Nog eenige ten opzichte van Genus of Flectie onzekere Gotische woorden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 1 (1881)
Johan Hendrik Gallée, ‘Henne, hunne en hune en hunne samenstellingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
Lia van Gemert, Tom Hage, Annelies de Jeu, Rob de Jong, Thom Mertens en Dieuwke E. van der Poel, ‘Boekbeoordelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 112 (1996)
Jac. van Ginneken en G.S. Overdiep, ‘Vraag en antwoord’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 1 (1932-1933)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 2]’, ‘De geschiedenis der drie geslachten in Nederland’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 3 (1934-1935)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 11]’, ‘De reeksen en cirkelgangen in het grammatisch systeem’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
Jac. van Ginneken, ‘De grondwet van het grammatisch systeem’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 10]’, ‘De organieke wetten van het grammatisch systeem’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 7]’, ‘Kleine woorden wortelen diep’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 12]’, ‘Het onbepaald lidwoord en het geslacht’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 5 (1936-1937)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 11]’, ‘Een nieuwe ontdekking der taalwetenschap’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
Jac. van Ginneken, Onze Taaltuin. Jaargang 8 (1939-1940)
J. Goossens, Die Servatiusbruchstücke (1992)
A.W. de Groot, ‘De structuur van het Nederlands.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
D. Haagman, ‘Subjekt en objekt.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 10 (1916)
C.B. van Haeringen, ‘De zuidnederlandse afkomst van j uit intervocaliese d.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 46 (1927)
C.B. van Haeringen, ‘Opmerkingen bij de apocope van -e. (Vervolg van blz. 250).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
C.B. van Haeringen, ‘Opmerkingen bij de apocope van -e.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
C.B. van Haeringen, 'Congruerende voegwoorden' (1939)
C.B. van Haeringen, ‘Afleidingen en samenstellingen van doen, gaan, slaan, staan en zien’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 63 (1944)
C.B. van Haeringen, 'De meervoudsvorming in het Nederlands' (1947)
C.B. van Haeringen, ‘Ingekorte samenstellingen.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 41 (1948)
C.B. van Haeringen, ‘Chapter EightModern Netherlandic (since 1880)’ In: Netherlandic language research (1954)
C.B. van Haeringen, ‘Chapter TwelveWord Studies’ In: Netherlandic language research (1954)
C.B. van Haeringen, ‘Franciscaner, Benedictijner, Karmelieter.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 47 (1954)
C.B. van Haeringen, 'Vervoegde voegwoorden in het Oosten' (1958)
C.B. van Haeringen, ‘Geontmythologiseerd’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 58 (1965)
K.H. Heeroma, ‘Aantekeningen bij ‘Het prefix in het verleden deelwoord’’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 61 (1942)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over het werkwoord reken en zijne voornaamste afstammelingendoor W.L. van Helten.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over stok, steen en steke, als eerste lid van een samengesteld adjectief.Door W.L. van Helten.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 5 (1874)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Bijdragen tot de Dietsche grammatica.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 2 (1882)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Bijdragen tot de Dietsche Grammatica.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 3 (1883)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Bijdragen tot de Dietsche grammatica.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 3 (1883)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Bijdragen tot de dietsche grammatica.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 5 (1885)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over een en ander uit het Ndl. consonantisme.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12 (1893)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over een en ander uit het Ndl. consonantisme.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12 (1893)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Hilic, huwelijk enz., vechtelic, feestelic.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13 (1894)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Etymologische en andere bijdragen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 14 (1895)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Nog een en ander over de Oudoostnederfrankische en de Middelfrankische Psalmen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over den genitief op -es der vrouwelijke langlettergrepige i-stammen in het Nederlandsch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over de tweeërlei explosieve dentalen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
C.H. den Hertog, ‘[De leer der woordsoorten]’, ‘Het woord in het algemeen.’ In: Nederlandsche spraakkunst (1892-1896)
D.C. Hesseling, ‘Spreken en horen.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 11 (1901)
D.C. Hesseling, ‘IV. [De spraakkunst van het Negerhollands]’ In: Het Negerhollands der Deense Antillen (1905)
Christiaan van Heule, ‘Het vierde Deel der Spraeckonst.’ In: De Nederduytsche Grammatica ofte Spraec-konst (1626)
Christiaan van Heule, ‘Van de Ledekens.’ In: De Nederduytsche spraec-konst ofte tael-beschrijvinghe (1633)
Cor Hoppenbrouwers, 'Het genus in een Brabants regiolect' (1983)
J.M. van der Horst en Marijke J. van der Wal, ‘Negatieverschijnselen en woordvolgorde in de geschiedenis van het Nederlands’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 95 (1979)
J.M. van der Horst, J.A. van Leuvensteijn, W. Pijnenburg en M.C. van den Toorn, Geschiedenis van de Nederlandse taal (1997)
Jan H. Hulstijn, Colloquium Neerlandicum 9 (1985) (1986)
Arie de Jager, ‘Iets over den uitgang ig.’ In: De Taalgids. Jaargang 1 (1859)
Arie de Jager, ‘Bijzonderheden aangaande het woord ligchaam,door A. de Jager.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 1 (1870)
Arie de Jager, ‘Schijnbare frequentatieven in het Nederlandsch,door A. de Jager.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 1 (1870)
Arie de Jager, ‘Schijnbare frequentatieven in het Nederlandsch.Door A. de Jager.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 2 (1871)
Jos Jansen, Het Lommels als grensdialect (1991)
W.A.F. Janssen, ‘De naamvals-n in het zuiden’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 3 (1934-1935)
J.P.B. Josselin de Jong, ‘De oorsprong van het grammatisch geslacht.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 29 (1910)
H. Kern, ‘Over den oorsprong van het achtervoegsel aard.’ In: De Taalgids. Jaargang 2 (1860)
H. Kern, ‘Nog iets over den genitief veels.’ In: De Taalgids. Jaargang 2 (1860)
H. Kern, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
H. Kern, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
H. Kern, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
H. Kern, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
H. Kern, ‘De partikel ar in 't Oudhoogduitschdoor H. Kern.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
H. Kern, ‘De verbuiging van man in 't Gotischdoor H. Kern.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 5 (1874)
H. Kern, ‘Verkleinwoorden op sa, sia.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 5 (1874)
H. Kern, ‘Over eenige vormen van 't werkwoord zijn in 't Germaansch.Door H. Kern.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 5 (1874)
H. Kern, ‘Ast, eest, ozd.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 9 (1890)
H. Kern, ‘Kaars.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
H. Kern, ‘Nederlandsch aar uit ouder ar en er.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
H. Kern, ‘Ontwikkeling van ar uit er in 't Nederlandsch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
J.H. Kern, ‘De f in leefde.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
H. Kern, ‘Ooit.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
H. Kern, ‘De ie in brief en enkele andere ontleende woorden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
H. Kern, ‘Over een paar Zwitsersche en tevens Nederlandsche verkleiningsvormen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 36 (1917)
J.H. Kern, ‘Verwanten van Mndl. verweent.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 46 (1927)
J.H. Kern, ‘Naschrift over jou deugniet!’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 46 (1927)
G.G. Kloeke, ‘Eigennamen op -tet.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 43 (1924)
G.G. Kloeke, ‘Deutscher, sprachatlas.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 22 (1928)
A. Kluijver, ‘Over modaliteit.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 5 (1911)
K. Koffeman, ‘De vervoeging in het Urkschdoor K. Koffeman.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 6 (1875)
R.A. Kollewijn, ‘Sprokkel.Naar zijn(e) pijpen dansen.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 2 (1892)
R.A. Kollewijn, ‘Sprokkel.Zwakke genitief van eigennamen.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 2 (1892)
R.A. Kollewijn, ‘De geslachten der zelfstandige naamwoorden in het Nederlandsch.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 2 (1892)
R.A. Kollewijn, ‘Sprokkels.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 2 (1892)
R.A. Kollewijn, ‘Sprokkel.Gij als zelfst. nw.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 2 (1892)
R.A. Kollewijn, ‘Zijn de scheepsnamen vrouwelijk?’ In: Taal en Letteren. Jaargang 3 (1893)
R.A. Kollewijn, ‘Woordorde en buigingsuitgangen.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 5 (1895)
R.A. Kollewijn, ‘Het geslacht der zelfstandige naamwoorden in het Nederlands.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 5 (1895)
A. de Korne en T. Rinkel, ‘5. Vormleer’ In: Cursus zestiende- en zeventiende- eeuws Nederlands (1987)
C. Kostelijk, ‘Het suffix -heid in het Noordhollands.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 48 (1955)
Etsko Kruisinga, ‘De vorm van de verkleinwoorden.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 9 (1915)
Etsko Kruisinga, 'De vorm van de verkleinwoorden' (1915)
Etsko Kruisinga, ‘III. Onze woorden:C. Afleiding.’ In: Het Nederlands van nu (1938)
Etsko Kruisinga, ‘II. Onze woorden:B. Samenstelling.’ In: Het Nederlands van nu (1938)
C. Kruyskamp, ‘Mijns hertsen gront’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 88 (1972)
P. Leendertz (jr.), ‘Over eenige genitiefbepalingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 38 (1919)
J.H. van Lessen, ‘Over possessieve samenstellingen met af-, on-, ge-, en aan- en daarvan gèvormde substantiva.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 59 (1940)
J.H. van Lessen, ‘Klanknabootsing als taalvormend element (IV)’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 62 (1943)
A. van Loey, ‘Over de verhouding van Mnl. or: ar of er vóór consonant’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 66 (1949)
Ann Marynissen, ‘Ann MarynissenVan -(t)ke naar -(t)jeDe oorsprong en verspreiding van het Nederlandse diminutiefsuffix -(t)je’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 114 (1998)
Reinier van der Meulen Rz., ‘Rob, rop. ’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34 (1915)
Reinier van der Meulen Rz., ‘Mnl. tentenel - tinterneel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 35 (1916)
L.C. Michels, ‘Zo met geëlideerde klinker.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 48 (1955)
L.C. Michels, 'Woordwording van affixen' (1957)
Jozef van Mierlo, ‘Tegen regel 8 en 5 van het voorstel-Marchant’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 3 (1934-1935)
Pieter Hendrik van Moerkerken, ‘Kleinigheden.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 11 (1901)
J.W. Muller, ‘De Taalvormen van Reinaert I en II.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 7 (1887)
J.W. Muller, ‘Nogmaals seck.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12 (1893)
J.W. Muller, ‘Ham en boterham.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
J.W. Muller, ‘Brandenetje, brandemoris enz.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
J.W. Muller, ‘Brandemoris en eene plaats uit Bredero.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
J.W. Muller, ‘Katerbrande (quaterbrande).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
J.W. Muller, ‘Bontsche maat, boomsche maat.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
J.W. Muller, ‘Een en ander over den Nieuwnederlandschen tweeklank of ǘ (‘ui’).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40 (1921)
J.W. Muller, ‘Een paar kantteekeningen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 50 (1931)
J.W. Muller, ‘Je en jij.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 50 (1931)
J. Naarding, ‘Woorden met sj- en tj-’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
G.A. Nauta, ‘Iets over eigennamen die appellatieven geworden zijn.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 10 (1900)
G.A. Nauta, ‘Iets over eigennamen die appellatieven geworden zijn.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 10 (1900)
Jillis Noozeman, ‘Bijlage Taalkundige beschrijving van de Beroyde Student en de Bedrooge Dronkkaart’ In: Beroyde student en Bedrooge dronkkaart, of Dronkke-mans hel (ed. Ineke Grootegoed, Arjan van Leuvensteijn en Marielle Rebel) (2004)
G.S. Overdiep, ‘Over het Nederlandsche Participium Praesentis.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 44 (1925)
G.S. Overdiep, ‘Vorm, beteekenis en functie van woorden.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 20 (1926)
G.S. Overdiep, ‘Over den ‘tik’ om de ooren’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 3 (1934-1935)
G.S. Overdiep, ‘De tweede-persoonsvorm’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 3 (1934-1935)
G.S. Overdiep, ‘Bijzondere partikels in het Katwijksch’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
G.S. Overdiep, ‘Zinsvormen en woordvormen’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
G.S. Overdiep, ‘De middelnederlandsche imperatief’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
G.S. Overdiep, ‘De vorm van den imperatief’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
Anton Reichling, ‘Het handelingskarakter van het woord.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
Johan Renders, ‘Opmerkingen omtrent Noord-Brabantsche verkleinwoorden’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
E. Rijpma en F.G. Schuringa, ‘Hoofdstuk IIIWoordleer’, ‘Het woord’ In: Nederlandse spraakkunst (bew. Jan van Bakel) (1967)
K. Roelandts, Vertrouwelijke naamgeving (1979)
Gerlach Royen, ‘Defleksie.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 20 (1926)
Gerlach Royen, ‘De kerfstok van de term ‘geslacht’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 23 (1929)
Gerlach Royen, ‘Vorm en funktie.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 23 (1929)
Gerlach Royen, ‘Haar-kultuur.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 27 (1933)
Gerlach Royen, ‘De ongelukkige trits.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
Gerlach Royen, ‘Dergelijke en konsorten.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
Gerlach Royen, ‘Emphasis zonder -n.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
Gerlach Royen, ‘Verstening en verwering.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 32 (1938)
Gerlach Royen, Ongaaf Nederlands (1941)
H. Ryckeboer, ‘De enquête Willems in Frans-Vlaanderen’ In: Het Nederlands in Noord-Frankrijk (1997)
H. Ryckeboer, ‘Het preteritumsuffix bij zwakke werkwoorden in Frans-Vlaanderendoor H. Ryckeboer’ In: Het Nederlands in Noord-Frankrijk (1997)
J.J. Salverda de Grave, ‘Bijdragen tot de kennis der uit het Fransch overgenomen woorden in het Nederlandsch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
J.J. Salverda de Grave, ‘Bijdragen tot de kennis der uit het Frans overgenomen woorden in het Nederlands.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
J.J. Salverda de Grave, ‘De meervoudsvorm op -s in het Nederlands.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 8 (1914)
A.M. Schaerlaekens, ‘4 De differentiatiefase(twee en een half - vijf jaar)’ In: De taalontwikkeling van het kind (1977)
J.B. Schepers, ‘Boekaankondiging.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 9 (1899)
M. Schönfeld, ‘Het taalkundig geslacht.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 8 (1914)
M. Schönfeld, ‘De Nederlandse plaatsnamen op -ik’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 36 (1917)
M. Schönfeld, ‘Iets over het woordaksent.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 17 (1923)
Jos. Schrijnen, ‘Nederlandsche doubletten.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
Jos. Schrijnen, ‘Het gaat om de taal’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 3 (1934-1935)
H. Schultink, ‘De bouw van nieuwvormingen met her-’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 80 (1964)
H. Schultink, ‘H. SchultinkDe studie van de Nederlandse morfologie vanuit wetenschapshistorisch oogpunt’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 109 (1993)
Pieter A.M. Seuren, ‘Het probleem van de woorddefinitie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 82 (1966)
Ph.J. Simons, ‘Langs en op de rand van de zelfstandigheid. (De woorden zo c.s. en 't).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 6 (1912)
Ph.J. Simons, ‘De voornaamwoordelike aanduiding van de abstrakta.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 7 (1913)
Ph.J. Simons, ‘Over de inhoud van het zogenaamde bezittelik voornaamwoord.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 7 (1913)
Ph.J. Simons, ‘De voornaamwoordelike aanduiding van de abstrakta. (Vervolg van blz. 211).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 7 (1913)
Ph.J. Simons, ‘Perspektief.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 8 (1914)
Ph.J. Simons, ‘Rondom de kern van ons taalgeslacht.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 12 (1918)
Ph.J. Simons, ‘Woordgeslacht als eenheidsgraad.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 13 (1919)
Ph.J. Simons, ‘Woordgeslacht als eenheidsgraad.(Vervolg van blz. 129).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 13 (1919)
Ph.J. Simons, ‘Kroniek en kritiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 13 (1919)
Ph.J. Simons, ‘Lege voornaamwoorden.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 14 (1920)
Ph.J. Simons, ‘Leven en Dood.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
Ph.J. Simons, ‘Leven en Dood.(Vervolg van blz. 154).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
Ph.J. Simons, ‘Leven en Dood.(Slot).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
Norval S.H. Smith, '-Aar' (1976)
Jacob Samuel Speyer, ‘Eenige opmerkingen omtrent de Nederlandsche substantiva gevormd met het suffix -ling.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 32 (1913)
W.H. Staverman, ‘Over rauwkost en sneltreinen, groothandelaren en kleinkinderen.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
Garmt Stuiveling, ‘Bloeibaarheid.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 41 (1948)
H.A.J. van Swaaij, ‘De perfectiva simplicia in het Nederlandsch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
Jan Gerrit Talen, ‘Over vorm en indeeling der werkwoorden. Wat toegepaste methodologie.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 4 (1894)
Jan Gerrit Talen, ‘Beknopte spraakleervan 't beschaafde Nederlands.I.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 5 (1895)
Jan Gerrit Talen, ‘Het bijvoeglik naamwoord.(Vervolg van blz. 116.)’ In: Taal en Letteren. Jaargang 5 (1895)
Jan Gerrit Talen, ‘Het bijvoeglik naamwoord.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 5 (1895)
Jan Gerrit Talen, ‘De comparatie.(Vervolg van blz. 42.)’ In: Taal en Letteren. Jaargang 7 (1897)
Jan Gerrit Talen, ‘Beknopte spraakleer van 't beschaafde Nederlands.III’ In: Taal en Letteren. Jaargang 7 (1897)
Jan Gerrit Talen, ‘De comparatie.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 7 (1897)
Jan Gerrit Talen, ‘Geslacht in taal.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 11 (1901)
[tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De, ‘Nog meer oude hyperkorrekte vormen.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 23 (1929)
[tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De, ‘Kroniek en kritiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 24 (1930)
[tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De, ‘Het Nederlands diminutiefsuffix;een morfonologische proeve.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 51 (1958)
[tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De, ‘Een stukje morfologiegeschiedenis in een generatief kader’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 69 (1976)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘De samenstelling als korte taalvorm in de krant’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 1 (1932-1933)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘Werkwoorden op -tsen’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 2 (1933-1934)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘Vraag en antwoord’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 2 (1933-1934)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘Vraag en antwoord’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 3 (1934-1935)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘De geslachtsvormen van het adjectief in de Nederlandsche dialecten’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 5 (1936-1937)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘De vormen en de verbuiging der pronomina in de Nederlandsche dialecten’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘Primitieve vormen’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘[Nummer 7]’, ‘De vormen en de verbuiging der pronomina in de Nederlandsche dialecten’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘Het zelfstandig gebruikte adjectief en het geslacht’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 7 (1938-1939)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘De verbuiging van het vragend voornaamwoord en de persoonsnamen’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 8 (1939-1940)
[tijdschrift] Taal en Letteren, ‘Iets over den superlatief.(Naar aanleiding van eene examenvraag.)’ In: Taal en Letteren. Jaargang 2 (1892)
[tijdschrift] Taal en Letteren, ‘Taalvorming.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 9 (1899)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, ‘EEN DEVENTERSCH HOOGLEERAAR EN EEN DEVENTER KOEK.’ In: De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, ‘Een Deventersch hoogleeraar en een Deventer koek.’ In: De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Bord, dorschen, worden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27 (1908)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Zur lehre von den Germanischen synkopen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40 (1921)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Het prefix in het verleden deelwoord’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 60 (1941)
F. de Tollenaere, ‘VerandzadenEen woord uit de oude landbouw’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 77 (1959-1960)
F. de Tollenaere, ‘Nogmaals Verandzaden’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 78 (1961)
F. de Tollenaere, ‘F. de TollenaereVan hantreiken en verhandigen tot overhandigen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 96 (1980)
M.C. van den Toorn, ‘6. Theoretische achtergronden’ In: Nederlandse grammatica (1973)
M.C. van den Toorn, ‘5. Woordleer’ In: Nederlandse grammatica (1973)
E.M. Uhlenbeck, Taalwetenschap (1959)
J. Veering, ‘Het juiste woord’ In: Spelenderwijs (zuiver) Nederlands (1959)
J. Veering, ‘De wijfjesolifant en de mannetjesmuis’ In: Spelenderwijs (zuiver) Nederlands (1959)
J. Verdam, ‘Absolute naamvallen in 't MNL en NDL.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 2 (1882)
J. Verdam, ‘Dietsche Verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 5 (1885)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 9 (1890)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
J. Verdam, ‘Over werkwoorden op -ken en -iken (-eken).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
J. Verdam, ‘Een tot heden onbekend woord voor leem (nl. don).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
J. Verdam, ‘Over het voorvoegsel ont.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
J. Verdam, ‘De versterkende beteekenis van on.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
J. Verdam, 'Over het voorvoegsel ont' (1901)
A.A. Verdenius, ‘Over de inclinatie in het Middelnederlandsch.(Naar aanleiding van Oostmiddelnederlandsche vormen als gaedet, regendet enz.).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 43 (1924)
A.A. Verdenius, ‘De vorm kyn(t)s bij Bredero.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 44 (1925)
A.A. Verdenius, ‘Het 17de-eeuwse versterkingswoord ong(e)naartich.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 23 (1929)
A.A. Verdenius, ‘Iets uit de geschiedenis van de bilabiale W in het Nederlands.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 24 (1930)
A.A. Verdenius, ‘Over het onbepaalde voornaamwoord (de, het) een of ander’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
A.A. Verdenius, ‘Over een - ene, zijn - zijne (enz.).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
A.A. Verdenius, ‘Eensloefs - eensloechs. (Overgang fs > chs).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 32 (1938)
A.A. Verdenius, ‘Adverbia van graad op -e.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
A.A. Verdenius, ‘Een relatief dij in het Fries’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 8 (1939-1940)
A.A. Verdenius, ‘‘Congruerende voegwoorden’’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 60 (1941)
A.A. Verdenius, ‘Het prefix in het verleden deelwoord’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 61 (1942)
Eelco Verwijs, ‘Het geslacht van Bode,door Eelco Verwijs.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 1 (1870)
Eelco Verwijs, ‘Een paar Middelnederlandsche misgeboorten,door Eelco Verwijs.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 2 (1871)
J. van Vloten, ‘Onvertaalbaar.’ In: De Taalgids. Jaargang 2 (1860)
J. van Vloten, ‘Je of jen.’ In: De Taalgids. Jaargang 4 (1862)
C.G.N. de Vooys, ‘Kroniek en kritiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 11 (1917)
C.G.N. de Vooys, ‘Een nieuwe regeling van het grammaties woordgeslacht.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 16 (1922)
C.G.N. de Vooys, ‘Woordverkorting.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 16 (1922)
C.G.N. de Vooys, ‘Kroniek en kritiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 23 (1929)
C.G.N. de Vooys, ‘Een datief als onderwerp van het passivum.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 24 (1930)
C.G.N. de Vooys, ‘Kroniek en kritiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 24 (1930)
C.G.N. de Vooys, ‘Kroniek en kritiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 24 (1930)
C.G.N. de Vooys, ‘Kroniek en kritiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
C.G.N. de Vooys, ‘Kroniek en kritiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 32 (1938)
C.G.N. de Vooys, ‘Kroniek en kritiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 32 (1938)
C.G.N. de Vooys, ‘Een zeventiende-eeuwse bewijsplaats voor uwé's.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
C.G.N. de Vooys, ‘Kroniek en kritiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
C.G.N. de Vooys, ‘III. Woordleer. A. De woordsoorten.’, ‘I. Interjekties.’ In: Nederlandse spraakkunst (1947)
W.L. de Vreese, ‘Sec(k), sick.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 12 (1893)
W.L. de Vreese, ‘Ledikant.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 14 (1895)
Wobbe de Vries, ‘Metathesis van korte vocaal tusschen r en dentaal en aanneming van o-kleur. rekking van or vóór dentaal. Umlaut van ur.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
Wobbe de Vries, ‘Nuver (-ver < -wer).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 32 (1913)
Wobbe de Vries, ‘Kleine mededeelingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 39 (1920)
Wobbe de Vries, ‘De verkleinuitgangen in de Nederlanden’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 43 (1924)
Wobbe de Vries, ‘Nog iets over de noordoostlike verkleinuitgangen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 46 (1927)
Wobbe de Vries, ‘Mnl. ei voor ij in ‘Gerrit’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 22 (1928)
Wobbe de Vries, ‘Nogmaals de verkleinuitgangen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 47 (1928)
Wobbe de Vries, ‘De verkleinuitgangen.(Nalezing.)’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 49 (1930)
Wobbe de Vries, ‘N in de gen. en dat. van Friese eigennamen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 49 (1930)
Wobbe de Vries, ‘Over deminutiva in en nabij Overijsel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 51 (1932)
Wobbe de Vries, ‘Tk > tj in het Noordfries.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 51 (1932)
S.J. Warren, ‘Kussen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
A.A. Weijnen, ‘Morphologisch gekenmerkte phonemen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 63 (1944)
P. Weiland, Nederduitsche spraakkunst (1805)
W. Wessels, ‘DOODZONDE.’ In: De Taalgids. Jaargang 7 (1865)
W. Wessels, ‘Doodzonde.’ In: De Taalgids. Jaargang 7 (1865)
N. van Wijk, ‘Het meervoud van de Nederlandsche verkleinwoorden.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 15 (1905)
N. van Wijk, ‘De 1. persoon pluralis in het Oudhoogduitsch en andere Westgermaansche dialecten.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 26 (1907)
N. van Wijk, ‘Zoogenaamde d-epenthesis.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 26 (1907)
N. van Wijk, ‘De umlaut van a in ripuaries- en Salies-Frankiese Dialekten van België en Nederland.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 33 (1914)
N. van Wijk, ‘Moderne studie der taalsystemen en ouderwetse linguistiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 24 (1930)
N. van Wijk, ‘Grammatika en woordvorming.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 28 (1934)
N. van Wijk, ‘‘Morphonologie.’’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 28 (1934)
N. van Wijk, ‘Parallelisme tussen ‘phonologie’ en ‘grammatika’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
J.F. Willems, ‘Over de woorden:Antwoord, Antwoorden, Antwerden, tegenwoordig zyn, enz.’ In: Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands. Deel 3 (1839)
J.H.J. Willems, ‘Sjouw en jouw.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
Jan Wils, ‘Vraag en antwoord’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 8 (1939-1940)
Jan Wils, ‘Vraag en antwoord’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
L.A. te Winkel, ‘Iets over het werkwoord houden.’ In: De Taalgids. Jaargang 1 (1859)
L.A. te Winkel, ‘Over de causatieve werkwoorden.’ In: De Taalgids. Jaargang 1 (1859)
L.A. te Winkel, ‘Iets over het werkwoord koopen.’ In: De Taalgids. Jaargang 1 (1859)
L.A. te Winkel, ‘Iets over de adjectieven, die met ge beginnen.’ In: De Taalgids. Jaargang 3 (1861)
L.A. te Winkel, ‘Kuk, kukken, kukkelen.’ In: De Taalgids. Jaargang 3 (1861)
L.A. te Winkel, ‘Iets over het woord ligchaam en de onderlinge verhouding der h en ch.’ In: De Taalgids. Jaargang 4 (1862)
L.A. te Winkel, ‘Scharminkel.’ In: De Taalgids. Jaargang 4 (1862)
L.A. te Winkel, ‘Over g, gh en de gewaande letter ng.’ In: De Taalgids. Jaargang 4 (1862)
L.A. te Winkel, ‘Brief aan de redactie van het tijdschrift De Gids .’ In: De Taalgids. Jaargang 4 (1862)
L.A. te Winkel, ‘Over de verkleinwoorden.’ In: De Taalgids. Jaargang 4 (1862)
L.A. te Winkel, ‘Iets over de spelling van het woord steigeren.’ In: De Taalgids. Jaargang 4 (1862)
L.A. te Winkel, ‘De afleiding en spelling van omtrent.’ In: De Taalgids. Jaargang 6 (1864)
L.A. te Winkel, ‘De dialecten en de vocaalspelling.’ In: De Taalgids. Jaargang 6 (1864)
L.A. te Winkel, ‘Over het bijna vergeten voorvoegsel a-.’ In: De Taalgids. Jaargang 6 (1864)
L.A. te Winkel, ‘Over de achtervoegsels -aard, -erd, -aar, -er.’ In: De Taalgids. Jaargang 7 (1865)
L.A. te Winkel, ‘OVER DE ACHTERVOEGSELS -AARD, -ERD, -AAR, -ER.’ In: De Taalgids. Jaargang 7 (1865)
L.A. te Winkel, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
L.A. te Winkel, De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
J. te Winkel, ‘Bastaardwoorden met ver samengestelddoor J. te Winkel.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 5 (1874)
J. te Winkel, ‘Hoofdstuk X.De woordvorming in het Nederlandsch.’ In: Geschiedenis der Nederlandsche taal (1901)